Ketika Mansinam Dilanda Gempa

0
7192

Oleh: Ligia Giay)*

M. Stoomschip Ardjoeno keerde den 20 alhier terug van de reis naar Doreh en Mansinam/Geelvinksbaai/ waarheen het, met den Resident van Ternate, was vertrokken, tot het verleenen van hulp aan de aldaar gevestigde zendelingen die, ten gevolge van de verwoesting aangerigt door de op den 22en Mei 1864, plaats gehad hebbende aard- en zeebeving, in grooten nood verkeerden.

Aan het van genoemden Resident ontvangen rapport wordt het volgende ontleend:

“Na den 25en Mei hebbende aardschuddingen zich aldaar Nieuw Guinea van tijd tot tijd herhaarld doch in mindere hevigheid, de rigting der eerste schuddingen, in Mei, is niet geobserveerd, de zendelingen meenen dat de beweging Cirkelvormig was  en vertical, de latere ligtere schokken zouden in de horizontale rigting Noord-zuid gevoeld zijn, de bewegingen moeten zeer sterk geweest zijn, het planken met atap gedekte huis der zendelingen te Doreh, dat zeer hecht en sterk was is, door het loslaten van het verband, uit elkander gerukt, de wanden staan scheef, eenige zolderbalken zijn gevallen; het dak is gebroken en de steenen onderlaag op enkele plaatsen gescheurd of ingestort, het huis is geheel onbruikbaar en zal tot den grond moeten worden afgebroken behalve dit groote verlies is een groot deel van huisraad en allerlei andere zaken vernield en verloren, terwijl tot overmaat van ramp eenige goederen, die ‘s nachts zoo haastig mogelijk naar buiten waren gebragt door eene zware regenbui zijn bedorven. De zendelingen wonen thans in een atappen hutje  zoo klein, dat men slechts bukkende er in kan komen. De huizen der inlanders, welk meest alle op palen in zee gebouwd zijn, werden, op enkele uitzonderingen na door de plotseling stijgende en afloopende zee medegesleept.

Het Arfakgebergte vertoont duidelijk groote aardstortingen, een of meer bergtoppen schijnen zich te hebben nedergeworpen, op andere plaatsen schijnt de grond ingezakt te zijn; volgens gissing der inlanders, zouden van de bergbewoners minstens twee honderd omgekomen zijn, en misschien nog meer aan de andere zijde des bergs.”

(Sumber: Arsip Nasional Republik Indonesia, Koleksi Ambon no. 586, Kort verslag van den stand van zaken en van het personeel in de residentie Amboina over het maand July 1864)

Laporan bulanan dari Ambon pada bulan  Juli tahun 1864 menceritakan kembali bencana yang menimpa pantai utara Papua di bulan sebelumnya. Pada tanggal 22 Mei 1864,  daerah Doreh, Mansinam dan Geelvinksbaai dilanda gempa besar. Gempa ini bukan hanya terjadi di darat, menurut catatan pemerintah kolonial ia juga terjadi di dasar laut. Karena bencana ini, pada bulan Juni Residen Ternate* P. van der Crab berangkat ke Mansinam untuk membantu para penginjil di sana. Nama para penginjil ini tidak disebut secara langsung, tapi besar kemungkinan mereka Carl Willhelm Ottow dan Johann Gottlob Geissler.

Sekembalinya dari Papua, van der Crab melaporkan bahwa setelah 25 Mei, Papua dari waktu ke waktu masih dilanda gempa, tapi tidak sekuat sebelumnya.
Gempa yang memaksanya ke Dorey jelas gempa yang dahsyat, menimbang dampaknya pada rumah papan para penginjil.  Rumah mereka yang kuat terbongkar. Sisi-sisi rumah mereka kini miring, atapnya rusak dan di beberapa titik, batu-batu di dasar rumah itu hancur dan kolaps. Rumah mereka tidak bisa dipakai lagi.

Lebih malang lagi, bahan makanan yang pada waktu malam cepat-cepat dibawa keluar, kemudian busuk karena hujan deras. Alhasil, para penginjil itu terpaksa tinggal di sebuah pondok yang begitu kecil, bahkan menunduk pun orang sulit masuk.

Hampir semua rumah masyarakat pantai, yang umumnya dibangun di atas tiang di laut, hanyut dibawa laut pasang.

Pegunungan Arfak mengalami longsor dan menurut perkiraan masyarakat setidaknya dua ratus orang pegunungan meninggal dan sepertinya masih ada lebih banyak korban di balik gunung-gunung itu.

* waktu itu, secara administratif Papua masuk dalam Karesidenan Ternate

)* Penulis adalah mahasiswa pascasarjana di Asia Research Centre, Murdoch University, Australia